Bij de Griek

En nu hebben ze Meneertje Manuel weer genomineerd voor de Cultuurprijs Overijssel. Het moet niet veel gekker gaan worden. Ze denken toch niet dat ik dood ga? Dat ze me zo snel mogelijk het graf in willen prijzen? Natuurlijk ga ik dood. Niets menselijks is me vreemd. Maar ik heb op dat gebied nog geen enkel concreet plan. Er is nog zoveel te doen. Zo wil ik de komende maanden in ieder geval nog even naar Griekenland. Om ze daar een hart onder de riem te steken. Want de manier waarop dat arme volk onder de voet is gelopen door Neo-Liberale volksverlakkers, dat grenst niet alleen aan het absurde maar ook nog eens aan het misdadige. Vooral de Duitsers, altijd weer de Duitsers. Als wij ons net zo harteloos hadden opgesteld toen de Duiters van de verloren Tweede Wereldoorlog probeerden te herstellen, was het allang weer oorlog geweest. Leer mij de Duitsers kennen. We zijn 60 jaar na de bevrijding weer terug bij af. En voor de rest zal de wereld me aan mijn reet roesten. Ik ga muziek maken. Met een heleboel mensen. In mijn dorp. In dit land. In Antwerpen. In Formerum. In New York. Ik wil zingen. Als een soldaat op weg naar het front. Als zijn meisje thuis bij de kachel. Misschien is het wel daarom dat ik zo verschrikkelijk sjacherijnig word van deze tijd. Ik heb niks met die harde taal. Ik wil lieve woorden. Om te zingen. Niet omdat ik een romanticus ben. Omdat ik van de mensen hou. De oorzaak van deze crisis ligt in de hebberigheid van de één en de machteloosheid van de ander. En dat is een oneerlijk gevecht. Ik ga in Augustus naar Griekenland en neem een gitaar mee. En dan ga ik op iedere straathoek een liedje zingen en beroof ik de Grieken van hun laatste euro’s. Die euro’s ga ik vervolgens uitgeven tijdens het Oktoberfest in Munchen waar ik me ladderzat in elkaar laat timmeren door een hele grote vrouw. Waarna ik wakker word in een Duitse cel en na het betalen van een boete van 85 miljard euro weer naar huis mag. Het is met de muziek al net als met de zaken. Een beetje voor de buhne en het meeste voor de knaken. Maar ja. Zoals gezegd. Ik hou van de mensen. En daar heb ik het maar mee te doen. Als man zonder noemenswaardige vijanden.

Taal

Ik kreeg een mailtje van een lief meisje die me vroeg of ik haar uit kon leggen hoe je een liedtekst moet maken. Laat ik beginnen met zeggen dat het een volwassen meisje was. Ik wil straks geen boze krantenlezers die tegen mijn ramen staan te boken. Maar ik neem nu eenmaal in mijn teksten geen blad voor de mond. Ik schreef haar terug dat een liedje vaak begint met een openingsregel. En de enige functie die de openingsregel heeft is om bij de luisteraar direkt een reactie op te wekken: ‘ What de Fuck! Zong ie dat nou echt…?!’ Ik geef hier een paar voorbeelden. ‘Als de neger een lul heeft dan ben ik er eentje’. Of. ‘Ik betaal nooit meer bij de Griek.‘ En als je werkelijk iedereen meteen bij de kladden wilt grijpen is dit ook een hele leuke:’ God is zo dood als een pier.’ Je hoeft het niet eens te zingen. Er zijn nu al mensen die de radio uit zetten. Dat is dan jammer voor die mensen. Want het gaat natuurlijk helemaal niet om die openingszin. Het gaat om de drie regels die volgen. Het eerste couplet! ‘ God is zo dood als een pier. Of hij zit kats niet op te letten. Er drijft een vluchteling in mijn bier. Van mij mag ie. Van mij mag ie!’
Vooral dat ‘Van mij mag ie! Van mij mag ie!’ is een mooie vondst. Daarmee heb je niet alleen een regel tekst te pakken die nog mee kan worden gezongen door een straalbezopen vrouw op de achterbank van een politieauto, de hele liedtekst ligt nu op een zilveren presenteerblaadje voor je. Want nu kan alles. ‘ Wat een verschrikkelijke dood. Met je zatte kop achter het stuur. En dan verzuipen in een sloot. Van mij mag ie! Van mij mag ie!’ Wat dit tweede couplet extra speciaal maakt is een maatschappelijk thema die we even aankaarten want echt, een dronken automobilist belachelijk maken, dat vindt werkelijk iedereen leuk. Nu gaan we er een meezinger van maken. Het refrein!
‘ Ik hou van alle mensen. Maar het meeste van de mijne. Die weten dat dit niet voor eeuwig is. En daar helemaal mee in het reine. ‘ Schitterend refrein. Al zeg ik het zelf. Dit zou BlØF kunnen zingen maar dan weet iedereen meteen dat ze dit niet zelf hebben geschreven. Daarna nog twee coupletten. Een refrein. Een blokfluit solo. En de laatste zin: ‘ Van haar mocht ik.’

Sterven

Timing. Het is nogal een dingetje in mijn vak. Zo heb ik ooit eens iemand heel boos gemaakt door op een popfestival in mijn dorp het nummer Gerritje van de Kappe ten gehore te brengen. Gerritje was een vrouw uit datzelfde dorp. En Gerritje was net die nacht er voor overleden. En dat wist ik niet. En zo stond ik een week geleden met een interview in de Nieuwe Revu waarin ik zei dat het sterven van Thé Lau wel een heel erg lang verhaal aan het worden was. Het blad lag nog maar net in de schappen en ja hoor, Meneertje Lau ging dood. Ik heb geen spijt van die opmerking. Dat niet. Ik kan enorm appelig worden van het circus dat word opgetuigd rondom het sterven van een icoon. En zeker als ik zie welke middelmatigheid in het kielzog van zo’n icoon ook een paar centen probeert te verdienen. Ik zou het alleen maar enorm verdrietig vinden als zijn vrouw me nu een enorme lul vindt. Want dat ben ik niet. Thé Lau was een groot mens en een groot artiest. Ik vond het alleen nogal Amsterdams om van dat doodnormale sterven een mediaspektakel te maken. Niet omdat ik Meneertje Lau dat niet gun. Ik heb het over de media. Als je op internet een filmpje wilt kijken waarin Thé Lau de hoofdrol speelt moet je eerst twee reclamefilmpjes uitzitten: over een uitvaartverzekering en Spa Blauw. Ik vind dat enorm vervelend. Ik wil naar de zanger luisteren. Niet naar zijn sponsoren. En natuurlijk snap ik zijn knieval. Het ging hem alleen maar om zijn gezin. Maar dat 1 van de grootste Nederlandse popartiesten afscheid van ons heeft moeten nemen in het bordeel van Humberto Tan, hier staan we dus met ons land. Toen Maarten van Roozendaal een aantal jaren geleden overleed had de publieke omroep alleen maar een fragment van hem waarin hij mee deed in een kwis. En ik heb het hier dus niet over Dries Roelvink. Die zelfs van zijn gele zwembroek nog een succesverhaal kan maken. Maarten van Roozendaal zwom naakt. Ik beloof bij deze plechtig dat ik mijn sterven buiten iedere publiciteit ga vieren. Misschien 1 keer een telefoontje met Jan Medendorp. Maar dan houdt het op. U bent bij deze alvast hartelijk uitgenodigd op mijn begravenis. Ik laat me niet sponsoren. Ik ga voor de enige betaalde rouwadvertentie in deze krant. De column.

Winnen

Meneertje Manuel is genomineerd voor de Poelifinario. En nee, die nominatie heb ik niet te danken aan een aantal uitmuntende grasparkieten. De Poelifinario is de prijs voor de beste cabaret-voorstelling van het afgelopen seizoen. Er waren 5 genomineerden, 3 mannelijke solisten en 2 vrouwelijke duo’s. En ik zeg ‘waren’ omdat 2 van de 3 mannen zich al teruggetrokken hebben. Uit angst. Voor de vrouwen. Ik ken die angst niet. Ik ben gek op vrouwen. Ze werken hard. Ze ruiken lekker. En ze zullen nooit een prijs weigeren. Want een prijs weigeren is stom. Ik voel me heel erg solidair met de vrouwen. Dus heb ik de nominatie van harte aanvaard. En als straks in september de Poelifinario uitgereikt word, dan hoop ik ook dat er alleen maar vrouwen aanwezig zijn. Laat al die mannen die overal en altijd lopen te zeiken lekker thuis blijven met de kinderen. Ik neem de honeurs gaarne waar. Als ik met 600 vrouwen in een zaal zit, dan hoef ik die prijs niet eens meer te winnen. Dan ben ik al lang Nederlands Kampioen Cabaret. Ik sprak een meneer van de NRC die me vroeg wat ik er nou van vond? Waarvan? Dat 2 van mijn collega’s de Poelifinario weigerden? Hebben ze die dan allebei gewonnen? Vroeg ik. Nee dat niet. Maar ze zeggen dit alvast voor de zekerheid. Ik zei dat ik dat snapte. Maar er verder niet zo heel veel van begreep. Ik ben nu eenmaal een domme boer. En wat die collega’s op 1 avond verdienen in het theater, verdien ik in 10 dagen in een café. Oh. Zei hij. Waar speel je dan zoal? Op Oerol. Op Oerol? Waar dan? In Café de Vijfpoort. Echt waar! Ik was op Oerol en ik wist helemaal niet dat u daar op trad! En toen ik nog 1 keer. Dat is dus exact waar het hier om gaat, koekebakker. De meneer van de NRC begreep hier weer helemaal geen kloten van en dus hing ik op. Het cabaret, dames en heren. Ik ken mijn plek in dit land. Ik ben de bouwvakker. Ik moet meters maken. Ik weet dat ik nooit een lintje ga krijgen en dat maakt me al zeer verdrietig. En nu ik dan eindelijk tot de Absolute Koning van het Cabaret had kunnen worden gekroond, gooien een paar heel intelligente, zeer getalenteerde, alleen maar in zichzelf geïnteresseerde komieken roet in het eten. Ze kunnen mijn rug op. Ik ga in september feest vieren met mijn vrouwen. En daar zullen alleen maar winnaars zijn.

Oerol

Er staat me weer een hele vervelende periode te wachten. Ik moet 10 dagen werken op Terschelling. En dan niet zomaar werken. Nee. Meneertje Manuel moet elke dag van half 3 tot 4 een optreden verzorgen in Café de Vijfpoort. Daarna krijg ik warm eten. Een koud biertje. Ik kom de hele week allemaal oude vrienden tegen. En daar moet dan ook weer op gedronken worden. Ik kan dus pas om 3 uur ’s nachts naar bed. En dan moet ik er om kwart over 12 ’s middags al weer uit. Wat heb ik toch een verschrikkelijk leven. Ik kom weleens beginnende artiesten tegen die me om advies vragen. Nou. Dat advies kan ik ze geven: “Begin er niet aan! Het is om te beginnen een enorme aanslag op de gezondheid. Ik denk ook dat het daarom is dat de meeste terroristen mij en mijn grote mond volslagen negeren. Ik kan de aanslag op mijn leven heel goed zelf plegen. Verder ben je zowat de hele dag alleen maar aan het lanterfanten. Daar hebben alle artiesten last van. We hebben het idee dat het iedere dag alleen maar draait om dat anderhalve uur. We zingen alleen nog maar dat we leven. Je kan ook nooit meer normaal naar een optreden van iemand anders kijken. De magie is er vanaf op het moment dat je ziet dat ze dezelfde trucs gebruiken als alle andere artiesten. En dan iedere keer dat gejuich, dat gelach, dat ovationele slotapplaus. Je wordt daar als uitvoerend kunstenaar op een bepaald moment alleen nog maar bloedchagrijnig van. “ En dan maar hopen dat zo’n beginnend artiest er niet aan gaat beginnen. Er zijn namelijk al veel te veel artiesten. En daarvan worden de meesten voornamelijk uitgemolken. Ik las dat onze Eerste Kamerleden gezamenlijk 462 actieve bijbanen bestieren. Dat u weet waar de boeren zittten. Meneertje Manuel zit in 2 muziekgroepjes. Ik bedoel maar. Het vak van artiest is een enorme tragedie. Zeker. Je wint een paar prijzen. Vrienden voor het leven. Het opperste geluk van een mooi liedje En nog een paar van die dingen. De vrouw van je dromen. En daar ook nog een dochter mee. Maar ken uw artiesten. Het is nooit genoeg. Een jongen bij mij in de klas noemde dat ooit Rob Druppers op een Gloeiende Plaat. Ik moest daar destijds heel hard om lachen. Nu weet ik. Artiesten zijn verknipt. En dat willen we graag zo houden.

Geld

Dat was een drukke Pinksteren voor Meneertje Manuel. Allereerst was daar het Internationaal Folkloristisch Festival in mijn dorp. Volksdansen! Ik ben zelf ooit lid geweest van de Stedeker Krummels dus ja, dan moet je wel even de klompen weer uit het vet halen om nog eenmaal een hele wilde Driekusman te dansen. Er stonden groepen uit Polen, India, Nederland, Kroatië en Turkije op het programma, maar die van Turkije die konden het podium niet vinden omdat ze waarschijnlijk nog een TomTom gebruikten uit de tijd van Attatürk. Ik vond het een mooi feestje, vooral ook omdat de internationale verbroedering in Twente voornamelijk bestaat uit heel erg regionaal bierdrinken. En het mooie is, na 20 bekers bier is zelfs een Indiër in staat om vloeiend Twents te praten. Tenminste. Dat vond ik. De Tweede Pinksterdag was ik te gast tijdens een boekpresentatie van Albertjan Peters. Albertjan Peters schreef 10 jaar columns in deze krant en ja, als je dan als broekie van 49 een uitnodiging krijgt om deze presentatie op te luisteren, dan kun je geen nee zeggen. Ik zeg bijna nooit nee. Of het moet zijn: “ Nee, dat kan ik niet weigeren. “ Op een bepaald moment ging het in de discussie over de waarheid in een column. En zowat alle aanwezigen waren het er over eens dat er in een column niet gelogen mag worden. Daar heb ik na afloop nog heerlijk over gepraat met 6 meisjes van een Braziliaans volleybalteam met wie ik uiteindelijk om 3 uur ’s nachts uit ‘t Bölke ben komen rollen. Er voordat er lezers zijn die me maar een onverantwoordelijke losbol vinden, mijn vrouw en ik hebben een heel open huwelijk. We hebben zelfs zo’n open huwelijk dat we nooit zijn getrouwd. Verder heb ik de afgelopen dagen muziek gemaakt met mijn vrienden en ben ik 1 van de acteurs die mee helpt tijdens de opening van het nieuwe stadhuis in Almelo. Er is vanuit de bevolking in Almelo veel kritiek geweest op dit nieuwe stadhuis en ja, 58 miljoen euro is een ontzettende bult geld. Als je echter hoort dat alleen al de verbouwing van 1 van de vele vastgoedondernemingen van onze huidige koning daar nog eens met 2 miljoen euro over heen gaat, dan denk ik dat Almelo zich de handjes dicht mag knijpen. En over tien jaar is het stadhuis weer overbodig, komt Hennie van der Most langs en zitten daar 18.000 azielzoekers achter het glas. Tel uit je winst.

Zingen

Het songfestival. Allereerst dit. Ik zou niet op vrijdagen in die jurk van Trijntje in mijn dorp op de stoep gaan staan. Dan komt de vuilnis langs. Verder is het volkomen terecht dat Finland niet naar de finale is. Het is altijd leuk om een paar geestelijk gehandicapten af te vaardigen, dat doet zowat ieder land, zorg er echter wel voor dat de zanger een beetje kan zingen. Of een jurk en een baard draagt. Voor de rest laat ik het songfestival liggen zoals ik mijn leuter draag: links. Ik wil het graag gaan hebben over een woord dat zowat trending topic was op Twitter de afgelopen week, de Dobberneger. De Dobberneger is de benaming voor de vluchtelingen die de afgelopen maanden voor een kapitaal hun leven waagden om het geweld in hun regio te ontvluchten om vervolgens ergens op weg naar Europa te verzuipen. Ik vind Dobberneger dan ook op het racistische af. En dan niet om de neger in Dobberneger. Het gaat me om de Dobber. Want ze dobberen niet. Ze verzuipen. Het grappige is dat een heleboel Nederlanders dat best wel weten. Daarom worden ze ook geen Verzuipnegers genoemd. Met het eufemistische Dobberneger doen we net alsof al die arme sloebers nog een kans hebben. Dat hebben ze niet. Zelfs als ze het redden om in 1 of andere veilige Europese haven te geraken dan zullen ze nog voor de rest van hun leven hooguit tot het vak van Scharrelneger geraken. En ik weet ook wel dat niet iedereen hier terecht kan. Maar we kunnen toch ruilen? Dat we zeggen dat er een paar van hun in mogen en dat er dan een paar van ons die kant op moeten. Daar zou de EO een prachtige Spelshow van kunnen maken. De Andere Wang. En waarom kunnen wij voor een kleine 199 euro via Easyjet de halve wereld overvliegen en betalen de mensen daar een godsvermogen om met een lekke boot de overtocht naar het paradijs te maken? Als die mensen de kans wordt gegeven om voor 75 euro van Damascus naar Amsterdam te vliegen dan zou het zo maar kunnen zijn dat ze in plaats van te vluchten gewoon een paar keer per jaar een Stedentrip boeken. Even een kijkje nemen in het land waar ze vluchtelingen Dobbernegers noemen en dan na 5 dagen weer terug naar de oorlog in eigen land om in ieder geval, al is het voor de vorm, de beschaving hoog te houden.

100%

Can I get there by Candlelight. Kent u dat nummer? Het werd altijd gedraaid aan het begin van Jan van Veen’s Candlelight. Dat had vast met de titel van dat liedje te maken. Ik dacht eerlijk gezegd dat Jan van Veen al in de jaren 80 was overleden. Dat hij onder 1 van zijn gedichten was gekomen. Maar de brave borst is nog steeds op de radio. En op niet zo maar een zender: 100 % NL! Dat het mogelijk is om een succesvol commerciëel radiostation uit de grond te stampen door deze 100 % NL te noemen zegt al net zo veel over dit land als de lawine aan berichten van de afgelopen week over een zanger die een verkeersregelaar het gebit door midden heeft geslagen. Dat vinden de mensen leuk.
Ik vind het een prachtig liedje, dat Can I get there by Candlelight. En de zanger steeg enorm in aanzien toen ik er achter kwam dat hij ook nog eens de componist was van The Days of Early Spencer. Twee van dergelijke tijdloze liedjes, hij had er geridderd voor moeten worden. Is niet gebeurd. En ja, zo weet ik ook al een aantal jaren dat ik, ook al ben ik een enorm hardwerkend artiest, nooit zal worden onderscheiden met een lintje. En terecht. Dat treurige ‘Fuck de Koning!’ is zowat een lofzang op de monarchie als je dat vergelijkt met de taal die ik zowat wekelijks bezig op onze vaderlandse podia. Ik ben ongeveer net zo koningsgezind als een lilliputter lang is. Wat ik echter zo langzamerhand niet meer begrijp is de volkswoede die een mens over zich heen krijgt als hij zich publiekelijk bekend maakt als de eigenaar van een dwarse mening. We leven in een land waar een man, die hartstochtelijk in de war was, na het gooien van een waxinelichthouder richting de Gouden Koets zowat een jaar in de gevangenis heeft gezeten. Die is dus zwaarder gestraft dan de man die met zijn zatte kop een 15-jarig meisje dood reed. Klink ik als een reactionair? Dat moet dan maar. Ik ben nu officiëel onderdaan van de Persgroep en ben nu in het bezit van een paar Belgen die hun krant verkopen als 100 % NL. Volgende week kunt u dus een verhaal verwachten over De Jurk van Trijntje Oosterhuis. Want dat misverstand mag ook weleens uit de wereld worden geholpen. Alle inhoud voor de vorm.

EU

Europa, wat is het toch een schitterend ongeluk. Zo viel er deze week een brief op de deurmat. Ik had te hard gereden in Duitsland. Maar liefst 10 kilometer. Ik moest wel even lachen toen ik het bedrag van de boete zag. 10 euro! Dat is dus een euro per kilometer. En daar kreeg ik dan ook nog eens een keurige brief bij met zelfs een foto waarop ik duidelijk aanwezig ben en met een enorm relaxed hoofd achter het stuur zit. Ik ben nu echt van plan om ze een paar euro fooi te geven. En misschien ga ik wel gewoon verhuizen naar dat land. Ik hoef daar maar 3 keer te tanken en dan betaal ik een jaar lang fluitend alle boetes. Ik denk zelfs dat mijn humor daar enorm aan zou gaan slaan. Een soort van Hitler maar dan wel om te lachen. En dat accent? Ik geloof niet dat mijn accent in Duitlsland een rol zal spelen. Een accent is alleen een nadeel als er landgenoten zijn die vinden dat zij het wel beschaafd spreken. Ik was afgelopen Koningsdag te gast in Nijmegen, Oranjepap. Ik werd in een Tipi geïnterviewd door een jongeman van Zuivere Koffie, waarschijnlijk een ideetje van de p.r. afdeling van Douwe Egberts. Het ging over boeken. En ik lees niet zo veel boeken meer. Ik kijk en luister. Naar films. Naar televisieseries. Naar muziek. Maar er is 1 boek waar ik de afgelopen maand wel in gelezen heb, ‘Dit Kan Niet Waar Zijn’ van Joris Luyendijk. En daar ging het interview over. En ik hoor mezelf praten over slechterikken die niet eens meer in de gaten hebben dat ze de levens van een heleboel anderen totaal in de vernieling hebben geholpen en echt, het enige dat me op dat moment door het hoofd schiet is de constatering: “ Ik heb echt een enorm vet accent…” Ik heb mezelf nooit echt zo willen zien maar ik kan er gewoon niet meer om heen, ik ben de Boer Koekoek van het Nederlandse cabaret. En daar heb ik vree mee. Op de allereerste cd die we hebben opgenomen klonk ik alsof ik was geboren in het Gooi. Toen wou ik nog iets. Op zowat alle latere cd’s ben ik voor de meeste Nederlanders volstrekt onverstaanbaar. Want toen wist ik wat ik wou. Mijn volgende cd neem ik op in Duitsland. Zingend achter het stuur van mijn auto. Zahln Zahln Auf Die Autobahn.

Platen

Afgelopen zaterdag was ik met Fratsen op pad voor Record Store Day. Record Store Day is Engels voor Platenzaakdag. Maar omdat het een internationaal ding is heet de Platenzaakdag dus Record Store Day. Dat u dat weet. Ik vind dat aan de ene kant jammer. Platenzaakdag. Dat bekt zoveel lekkerder. Of wat dacht u van Schalplattenladentag. Je zou er voor verhuizen naar Duitsland. Is toch pure poëzie.
Het is wel een bijzonder symphatiek evenement. Over onze hele aardbol spelen bands min of meer akoestisch in een platenzaak om de kleine middenstander een hart onder de riem te steken. Ik weet. Het is een druppel op een gloeiende plaat. Maar ik had in ieder geval even geen tijd om me aan te sluiten bij een groepering die vooral genoegen schept in het kapotmaken van dingen. Want dat is toch ook een eigenaardig dingetje van onze tijd. Dat er zoveel groepen bestaan die alleen maar dingen kapot willen maken. Gekken die antieke steden met de grond gelijk maken omdat de schoonheid van die steden ze tot op het bot beledigd. Mannetjes die het leven van honderdduizenden in de war schoppen omdat ze de bezuinigingen op moeten vangen voor het verlies dat er is geleden doordat er mannetjes waren die het leven van honderdduizenden in de war schopten. Geroyeerde advocaten die zich op de troon laat hijsen om zo over de rug van het laatste restje fatsoen in onze democratie het gelijk willen halen door het alleen maar te kopen. Ik hoorde dat een Prins Carnaval in de wat grotere steden minstens 40.000 euro kwijt is voor dat baantje. Dat u weet waarom daar zo weinig bouwvakkers tussen zitten. En nu we Bram Moszkowicz naar voren schuiven als de zoveelste nieuwe leider van dit land is het officiëel: ‘ We verliezen dit op alle fronten.’ Want als iets onze politieke leiders nog gaande houdt is het rancune. En rancune. Dat is Nederlands voor kapotmaken. Ik ben muzikant. Ik maak muziek. En ik dank mijn gitaar op de blote knietjes dat er geen gek in staat is om dat kapot te maken. Dat is het mooie aan muziek. Dat hangt in de lucht. En dat blijft daar hangen. Daar kan elke willekeurige gek een bom op gooien maar dat zal alleen maar meer muziek op gaan leveren. Mijn opa Louis timmerde decennia lang nestkastjes. Allemaal groen. En allemaal genummerd. Ik vond dat geweldig. Dat was voor mijn opa zijn sociale woningbouw. En ik had een liedje.